Hoe komen we van religie af?

Hoe komen we van religie af?

Goeie vraag, maar het antwoord stelt gelovigen zelden tot tevredenheid. Zo zal het met de inhoud van dit boekje ook wel gaan. Want het is lastig vechten tegen een idee dat zich in je hersens heeft genesteld. Iets onbewijsbaars en volgens sommigen toch zo waar.

Bestaat er een god?

Maar niet voor mij. Ik heb lang getwijfeld. Weet ik zeker dat er geen god is, geen hogere macht die alles hier op aarde bepaalt? Hoe kunnen anderen dat wél zo zeker weten? Zeg ik gewoon dat ik het niet weet en noem ik me zelf agnost? Of toch liever atheïst, omdat ik vind dat er geen god bestaat?

Nadat ik de banden met de Rooms Katholieke kerk definitief had doorgesneden, ben ik niet lang geleden lid geworden van het Humanistisch Verbond. Al was het alleen maar om een tegengeluid te laten horen. Maar een goed tegengeluid laten horen tegen iets wat feitelijk niet te bewijzen is, iets ontastbaars – een geloof – valt nog niet mee.

Toen ik las van het boek ‘Hoe komen we van religie af?’ van Floris van den Berg wist ik meteen: dat moet ik lezen. Weken geleden ben ik er in begonnen. Het zal aan mijn volle hoofd liggen dat ik de zware kost niet snel kon lezen. Maar de afgelopen dagen heb ik in een paar uurtjes het boek toch uitgekregen.

Hoe komen we van religie af?

Religie

En nu de boekbeschrijving. En ook dat valt niet mee. Het is namelijk geen lichte kost. Daarbij komt dat het vanuit een liberale visie is geschreven. In zekere zin ben ik ook liberaal (beslist niet op economisch gebied), maar de schrijver ontkomt er in deze tijd blijkbaar niet aan een hoofdstuk ‘hoe om te gaan met de islam’ toe te voegen, per slot van rekening ook een religie (en een ideologie volgens de auteur).

Gelukkig gaat het de auteur niet om de islam of moslims op zich, maar is het een voorbeeld van een  in Nederland behoorlijk zichtbare religie die bepaalde groepen wezens (dieren tellen ook mee) restricties oplegt:

In wellicht alle religieuze tradities is er sprake van een dubbele moraal, een voor mannen en een voor vrouwen. De moraal voor vrouwen is strenger en door de mannen opgelegd.

Het feit dat er al verschil wordt gemaakt is reden genoeg de religies te wantrouwen. Waarom zou een vrouw zich kuis moeten gedragen om de man niet in verleiding te brengen terwijl  het toch de mannen zijn die zich niet kunnen beheersen. Daarbovenop komt nog dat mannen er ook verleidelijk uit kunnen zien, en die verlokkingen (gezicht, haar) hoeven niet bedekt te worden.

Daar komt nog bij dat kinderen geïndoctrineerd worden en zo van kinds af aan gewend raken aan het idee dat niet alle mensen gelijkwaardig zijn. De auteur is dan ook duidelijk over religieuze uitingen in het openbaar, in elk geval in openbare instellingen: verbieden. Een hoofddoek verspreidt een dubbele moraal: niet alleen verdeelt het vrouwen onder in kuise en onkuise vrouwen, het moedigt mannen aan om die vrouwen die zich niet schikken te belagen (die vragen er ten slotte om). Even kort door de bocht, maar wel duidelijk.

Culturele overdracht

Er volgt een hoofdstuk met voor mij dan nog onbekende term meme (de geestelijke variant op de genen. Letterlijk: eenheid van culturele overdracht). Een meme is een idee dat zich reproduceert met behulp van het menselijk brein.

Door dit theoretische hoofdstuk moet de lezer zich even worstelen, want op deze theorie is het idee van een aangeleerd religieus besef gebaseerd. Ik begrijp dat dit taaie kost is, ik raad geïnteresseerden het boek te lezen. Kort en goed: geloof is aangeleerd, maar de werking van een meme is zo sterk, zeker van een religieus meme, dat het lastig uit te roeien is.

Als memen leiden tot een slachtofferideologie die specifieke groepen van individuen (vrouwen, etnische minderheden, homoseksuelen, dieren) structureel onderdruct, dan zijn deze menen kwaadaardig.

Maar hoe gaan we dan om met religies en gelovigen als er zoveel kwaad in schuilt – ook al zijn ze niet op waarheid gebaseerd?

Onware opvattingen hoeven de vrijheid van anderen niet te beperken en zolang dat niet het geval is, dienen alle irrationele ideeën en opvattingen te worden getolereerd.

Om met de schrijver te spreken:

Wanneer mensen in kabouters geloven, ben ik geamuseerd, en interesseert het mij niet. Wanneer een geloof verderfelijke morele consequenties heeft, dan komt geloof op het terrein van de ethiek.

En dan hebben we er wel wat over te zeggen als maatschappij. En dus past een kruisje, een tulband, een keppeltje of een hoofddoek niet om/in/op/bij een openbare instelling. Die dient neutraliteit uit te stralen. En niet ongelijkwaardigheid van man en vrouw of homo en hetero. Daar heb je als burger recht op lijkt me.

Zolang gelovigen de vrije ruimte van anderen om te zijn wie ze zijn niet inperken dienen gelovigen geen strobreed in de weg te worden gelegd, laat staan dat ze beschimpt of gediscrimineerd worden.

Ook al vind ik het geloof onzinnig. Dat recht hebben gelovigen. Maar zodra die vrije ruimte van anderen beperkt wordt is de tolerantiegrens voor religie ook bereikt.