EU: veilig in de kast mag

Nederland wilde christenen en homoseksuelen die hier asiel zochten terugsturen naar het land van herkomst met de mededeling het geloof of de seksuele voorkeur maar te verstoppen. Dan hoefde men niet bang te zijn voor vervolging. De Raad van State wilde dat het Hof van Justitie van de Europese Unie hier eerst een uitspraak over deed.

Die laat nog even op zich wachten, maar ondertussen deed het Hof vandaag wel uitspraak in een soortgelijke zaak over vervolgde christenen die in Duitsland asiel vroegen. En die uitspraak zou wel eens gevolgen kunnen hebben voor de homoseksuelen die in Nederland een veilig heenkomen zochten. Want voor hen geldt min of meer hetzelfde, je kunt je identiteit niet verbergen om zo de doodstraf te ontlopen.

De persverklaring van het Hof van Justitie van de Europese Unie in Luxemburg:

Bepaalde vormen van ernstige aantastingen van de openbare godsdienstbeleving kunnen een vervolging op grond van godsdienst vormen.

Wanneer deze vervolging voldoende ernstig is, moet de vluchtelingenstatus worden toegekend. 

Volgens de richtlijn betreffende de vluchtelingenstatus* moeten de lidstaten in beginsel deze status verlenen aan onderdanen van niet-EU-lidstaten die vrezen in hun land van herkomst te worden vervolgd wegens hun ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep. Een handeling kan als vervolging worden beschouwd indien zij voldoende ernstig is of zo vaak voorkomt dat zij een ernstige schending vormt van de grondrechten van de mens.

De ahmadiyyamoslimgemeenschap is een beweging ter hervorming van de islam. Volgens het Pakistaanse strafwetboek zijn leden van de ahmadiyyagemeenschap strafbaar met een gevangenisstraf van maximum drie jaar indien zij beweren moslims te zijn, hun geloof met de islam vereenzelvigen, hun godsdienst prediken of propageren of anderen uitnodigen zich bij hun godsdienstige kring aan te sluiten. Volgens datzelfde strafwetboek kan iemand die de naam van de profeet Mohammed beledigt ter dood of tot levenslange gevangenisstraf worden veroordeeld.

Y en Z, afkomstig uit Pakistan, wonen thans in Duitsland waar zij om asiel en om bescherming als vluchteling hebben verzocht. Zij zijn lid van de hmadiyyagemeenschap en beweren dat zij verplicht waren Pakistan te verlaten wegens hun lidmaatschap van die gemeenschap. In dit verband heeft Y gepreciseerd dat hij in zijn dorp van herkomst meerdere malen op de gebedsplaats is geslagen door een groep personen die ook stenen naar hem hebben geworpen. Deze personen zouden hem met de dood hebben bedreigd en bij de politie aangifte tegen hem hebben gedaan omdat hij de profeet Mohammed zou hebben beledigd. Z heeft beweerd dat hij wegens zijn godsdienstige overtuiging is mishandeld en gevangengezet.

De Duitse autoriteiten hebben de asielaanvragen van Y en Z afgewezen omdat zij van oordeel waren dat wat het recht op asiel betreft de aan de ahmadis in Pakistan opgelegde beperkingen op het openbaar belijden van de godsdienst geen vervolging vormden.

Het Bundesverwaltungsgericht, waarbij de gedingen aanhangig zijn, verzoekt het Hof van Justitie te preciseren welke beperkingen op het belijden van een godsdienst een vervolging vormen die de toekenning van de vluchtelingenstatus rechtvaardigen.

In zijn arrest van vandaag stelt het Hof allereerst vast dat enkel bepaalde vormen van ernstige aantastingen van het recht op godsdienstvrijheid, en niet elke aantasting van dat recht, een daad van vervolging kunnen vormen die de bevoegde autoriteiten verplicht de vluchtelingenstatus toe te kennen. Aldus kunnen enerzijds de bij de wet gestelde beperkingen op de uitoefening van dat recht niet als vervolging beschouwd worden voor zover zij de wezenlijke inhoud van dat recht eerbiedigen. Anderzijds vormt de schending zelf van dat recht uitsluitend een vervolging indien die schending voldoende ernstig is en zij de betrokkene op een aanzienlijke wijze treft.

Vervolgens merkt het Hof op dat handelingen die een ernstige schending kunnen vormen zwaarwichtige handelingen omvatten die niet enkel de vrijheid van de betrokkene aantasten om zijn overtuiging in besloten kring te beleven, maar ook om deze in het openbaar te belijden. Of een schending van het recht op godsdienstvrijheid moet worden beschouwd als een vervolging hangt dus niet af van de omstandigheid of de godsdienst in het openbaar of privé, alleen of met anderen, wordt beleden en beleefd, maar wel van de zwaarwichtigheid van de maatregelen en de sancties die tegen de betrokkene zijn genomen of kunnen worden genomen.

In die context stelt het Hof vast dat een schending van het recht op godsdienstvrijheid een vervolging kan vormen wanneer de asielzoeker wegens de uitoefening in zijn land van herkomst van die vrijheid een werkelijk gevaar loopt om met name te worden vervolgd of te worden onderworpen aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen die afkomstig zijn van een actor van vervolging. Het Hof benadrukt dat wanneer de deelneming aan formele erediensten, alleen of in gemeenschap met anderen, dergelijke nadelige gevolgen kan hebben, de schending van het recht op godsdienstvrijheid voldoende ernstig kan zijn.

Het Hof stelt eveneens vast dat de beoordeling van het werkelijke gevaar dat deze nadelige gevolgen zich zullen voordoen, veronderstelt dat de bevoegde autoriteit rekening houdt met een reeks van zowel objectieve als subjectieve factoren. In dit verband merkt het Hof op dat de subjectieve omstandigheid dat het in het openbaar beleven van een bepaalde godsdienstige praktijk, waartegen de betwiste beperkingen zijn gericht, bijzonder belangrijk is voor de betrokkene om zijn godsdienstige identiteit te bewaren, een relevante factor vormt bij de beoordeling van het gevaar waaraan de verzoeker wegens zijn godsdienst in zijn land van herkomst zal worden blootgesteld. Dit is zelfs het geval wanneer het beleven van een dergelijke godsdienstige praktijk voor de betrokken religieuze gemeenschap niet bepalend is.

De bescherming tegen vervolging wegens godsdienst omvat immers zowel persoonlijk als gemeenschappelijk gedrag dat iemand als noodzakelijk voor zichzelf acht, namelijk zowel gedrag dat „op een godsdienstige overtuiging [is] gebaseerd” als gedrag dat door de geloofsleer wordt voorgeschreven, namelijk gedrag dat door een “godsdienstige overtuiging […] [wordt] bepaald”.

Ten slotte merkt het Hof op dat wanneer vaststaat dat de betrokkene bij zijn terugkeer naar zijn land van herkomst godsdienstige handelingen zal verrichten die hem blootstellen aan een werkelijk gevaar van vervolging, hem de vluchtelingenstatus moet worden toegekend. In dit verband is het Hof van oordeel dat bij de individuele beoordeling van een verzoek strekkende tot het verkrijgen van de vluchtelingenstatus de nationale autoriteiten van de asielzoeker redelijkerwijs niet mogen verwachten dat hij, ter vermijding van het gevaar op vervolging, van het verrichten van bepaalde godsdienstige handelingen afziet.

* Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (PB L 304, blz. 12, en rectificatie PB 2005, L 204, blz. 24).

Geef een reactie