Saigon (Ho Chi Minhstad)

De reis naar Saigon (zo noemen de inwoners het herbenoemde Ho Chi Minhstad nog steeds – en ik voor het gemak ook) was geen luxeverhaal.

Van Sihanoukville naar Saigon

We zouden met de bus vanuit Sihanoukville (Cambodja) reizen en bij de wederhelft had het misverstand postgevat dat we níet via Phnom Penh moesten. Achteraf lach je erom, onderweg vloek je een keer of wat.

Maar achteraf ben ik blij dat we het zo gedaan hebben. In zes of zeven voertuigen hebben we gereisd, misverstanden aan de grens met gelukkig een naar Duitsland uitgeweken Vietnamese die de taxichauffeur zover kreeg dat hij het hele gezelschap naar het volgende overslagstation zou brengen. En daar namen we afscheid, op een busstation waar de enig engelssprekende ons vertelde dat over een paar uur dat ene gammele busje naar Saigon zou vertrekken.

En eigenwijs als we waren hadden we geen geld gewisseld, we zouden immers over enkele uren in Saigon aankomen alwaar de geldautomaten ons van lokaal geld zouden voorzien. Niet dus. In een tijdsbestek dat je normaal nodig hebt om van Cambodja naar Nederland te reizen – 17 uur – hebben wij de afstand Sihanoukville – Saigon afgelegd. Die reis verdient een blog apart, wellicht later.

17 uur onderweg

Reizen met de lokale bevolking is een belevenis op zich. Een bus is zelden voor passagiers alleen. Eenmaal in Saigon moest al dat spul ook nog eens gelost worden op de bevoorradingsmarkt van de stad (een soort les Halles in Parijs). Midden in de nacht reden we door een verlaten stad en na 17 uur wachten en reizen zie je alles toch wat negatiever.

Maar toen we ’s ochtends ontbeten op de bovenste verdieping van het hotel hadden we een fantastisch uitzicht op de indrukwekkende skyline. Dat was andere koek. Een gekrioel in de verte, een energie, ruim 7 miljoen inwoners. Zo ver het oog reikte: bebouwing.

We hadden Bangkok gezien (nog meer inwoners, zeer toeristisch, modern) en Phnom Penh (anderhalf miljoen inwoners, werkstad, armer en ouder), maar Saigon is weer heel anders. Op de verschillen tussen de mensen in de verschillende landsdelen kom ik later ook nog eens terug.

Saigon bruist van de energie, maar er is een groot verschil tussen het uiterlijk vertoon van de glimmende gebouwen, de groep mensen die werkzaam is bij internationale bedrijven enerzijds en anderzijds de mensen die hun best doen hun kostje bij elkaar te scharrelen door schoenen te poetsen, op straat eten te bereiden, etc. Maar die combinatie maakt de stad ook wel bijzonder. De ene buurt heeft iets kosmopolitisch, de andere weer gezellig rommelig.

Verkeer in Saigon

Opvallend in alle steden die we bezochten: het grote aantal scooters. Vietnam spant de kroon. Een Nederlands-Vietnamese jongen die we op het www troffen vertelde dat tien à twintig jaar geleden fietsers het straatbeeld domineerden. Nu moet je lef hebben om over te steken. Gewoon dóen overigens, niemand rijd je omver. Vietnamezen zijn ware kunstenaars in het ontwijken van elkaar en overstekend wild.

Je verwacht van zo’n stad waar toch redelijk veel toeristen komen dat in elk geval de werknemers uit de dienstverlenende sector redelijk Engels spreken, te beginnen met de taxichauffeurs. Ze beginnen in keurig Engels, maar owee als je een vervolgvraag stelt. Zelfs ‘international‘ of ‘domestic‘ als je naar de juiste ingang van het vliegveld wilt is een probleem. Zelf opletten dus.

Alom aanwezig in het straatbeeld zijn communistische spreuken van de regering. Gesprekken voeren over de politieke situatie valt dan ook niet mee. Als het antwoord begint met een verlegen “Hihi…” dan is het beter om over te schakelen naar een praatje over het weer. Maar er zijn ook hoger opgeleiden die beter Engels spreken en zich ook vrijer uiten.

Gay Saigon?

Natuurlijk zijn we ook op zoek gegaan naar het homoleven. Dat viel nog niet mee. Zoals veel Afrikanen de vaste telefonie hebben overgeslagen, zo is er weinig homohoreca in Vietnam. Vietnamese gays hebben de homokroeg overgeslagen en zijn direct het internet opgegaan. Iemand met geld heeft een smartphone en zit op Grindr. Minder geld, dan naar het internetcafé. Zo zijn we in contact gekomen met enkele lokale homoseksuele medemensen. En zo zagen we op de oude dag ook nog eens een hedendaagse danstent. Mijn hemel, dat was wat.

We werden langs een corridor van bewakers naar een tafeltje geleid, waar je geacht werd te blijven staan. Maar niet nadat we ons eerst (zo bleek achteraf, we waren te verbluft) hadden laten fotograferen door in glitterjurkjes gehesen dames die reclame maakten voor een sigarettenmerk. Hier zagen we de verwende apen met rijke papa’s en mama’s die hier stevig stonden te zuipen in dure kleding. We vielen – hoe zal ik het zeggen – enigszins uit de toon.

Aangezien we niet alleen maar op vermaak uit waren, en in Vietnam ontkom je ook niet aan het beladen verleden, zijn we naar het War Remnants Museum gegaan. Ik was op voorhand wat sceptisch op wat ons aan propaganda voorgeschoteld zou worden door het regime. Maar die scepcis liet ik vanzelf varen. Gatsamme wat hebben die Amerikanen daar een ellende aangericht. Je ontkomt niet aan de verzuchting ‘weinig geleerd van het verleden’.

Củ Chi Tunnels

Een tweede beproeving op dat vlak leek even de uitstap naar het tunnelcomplex van Củ Chi, ik verwijs voor de achtergronden gemakshalve even naar wikipedia, zie hier. Ik focus even op onze reisleider Mister Been noemde hij zich. Of we alles wilden vergeten wat we tot nu toe hadden gelezen of wat de regering ons wilden doen geloven. Mister Been had gevochten in Amerikaanse dienst. In Vietnam nog wel.

Ik wilde al weer uitstappen, maar uiteindelijk had ook hij een genuanceerder verhaal. Al kan ik me nauwelijks verplaatsen in iemand die met de agressor meevecht tegen zijn eigen volk. Iedereen heeft zijn eigen verhaal. Het cynische was dat zijn familie nu in de Vietnamese diaspora woont en hij als enige in Vietnam is gebleven.

Wat me bijgebleven is hoe moedig en inventief dit volk is geweest en hoe veerkrachtig het nu is. Je zou voor minder communistisch worden. Of wrok koesteren jegens voormalige bezetters (dat hielden wij langer vol tegen de Duitsers). De jarenlange Franse overheersing, oorlogen met Cambodja, China, Verenigde Staten. Ja, ik begrijp heel goed waarom Ho Chi Minh op een voetstuk staat in Vietnam.

Het kan ook doorslaan. Pepsi en Coca Cola overheersen zelfs de souvenirwinkeltjes bij belangrijke nationale gedenkplaatsen. Ik hoop dat het land langzaam opener wordt, Vietnam heeft een enorme potentie, een jonge en energieke bevolking die nieuwsgierig is naar de toerist die de moeite neemt hun land te bezoeken, zelfs vereerd is met je bezoek.

Over een poos een blog over Hanoi, ook groot maar een wereld van verschil met Saigon.

Geef een reactie